skip to Main Content

Over de kaart en de assen

Uitleg over de kaart

Bij het Schoolwaardenkompas hoort een landkaart van waarden (de Schoolwaardenkaart) waarop u zich kunt oriënteren als het gaat om uw criteria voor goed onderwijs. Die Schoolwaardenkaart ziet er zo uit:

De kaart heeft twee assen, de horizontale as en de verticale as. Op beide assen kunt u een eigen positie innemen, op basis van uw mening/ waarden over hoe de relatie tussen leerling en leraar er uit zou moeten zien op school (op de horizontale as, de relatie-as) en over wat het doel van onderwijs zou moeten zijn (de verticale as, de doel-as). De uitersten (de polen) van de relatie-as staan hier beschreven en de uitersten van de doel-as staan hier beschreven.

Let op: de kaart is visueel verdeeld in vier kwadranten, maar de werkelijkheid is natuurlijk veel genuanceerder. Ieder model is een simplificatie.

Bij het bespreken van de assen hebben we het niet over losse opvattingen over goed onderwijs, maar over meerdere met elkaar samenhangende waarden. In de praktijk neemt men zowel op de horizontale, als op de verticale as, meestal een positie ergens tussen de uitersten in. Soms is de keuze voor bepaalde waarden zo sterk, dat iemand een uiterste positie -een pool- kiest. De meeste mensen onderschrijven de waarden wel die bij de verschillende polen horen. Maar per persoon en per school krijgen ze een verschillend gewicht. De eigen balans tussen de waarden bepaalt jouw positie op de kaart.

De horizontale as: de relatie

De relatie-as geeft inzicht in de opvattingen die u (of een school) heeft over wat een docent met of voor het kind zou moeten doen om deze een stap verder te brengen in zijn ontwikkeling. Ook geeft het inzicht in uw opvatting over wat een kind zelf kan, en onder welke omstandigheden. Kortom: het gaat op deze as om de verdeling van verantwoordelijkheid tussen leerling en leraar, waarbij we een tegenstelling zien tussen enerzijds een hiërarchische (en dus verticale), relatie tussen leerling en leraar, en anderzijds een horizontale, evenwaardige relatie (de leerling en docent ‘naast elkaar’).

De leraar
boven de
leerling

horizontaal

De leraar
naast de
leerling

Dit zijn uitersten. De meeste mensen zoeken hun balans ergens daar tussenin, en dat is bij iedereen persoonlijk en anders. Uw persoonlijke keuze is zichtbaar door de positie die u kiest, meer naar links (de leraar boven de leerling) of rechts (de leraar naast  de leerling).

Voor verdieping, zie verdere uitleg

Boven: De uiterste linkerkant van de horizontale as staat voor een hiërarchische relatie tussen de school/ de leraar en de leerling. Wie voor deze benadering kiest, vindt dat de leraar beter weet dan de leerling wat goed voor hem of haar is. De leerling wordt (nog) niet in staat geacht het eigen leren te organiseren en te sturen. Uitgangspunt is dat de wil van een leerling om te leren, en het vermogen om eigen keuzes te maken, nog niet is ontwikkeld. De professionele volwassene moet dus de verantwoordelijkheid voor het leerproces van het kind nemen . De rol van de leraar is daarbij overwegend sturend en informerend. Dit betekent dat voor de leerling vastligt hoe hij moet leren, wanneer, met wie, et cetera.

Naast: De rechterkant van de horizontale as staat voor de volledig gelijkwaardige relatie tussen de leraar en de leerling. Dit is gebaseerd op het uitgangspunt dat het kind/de lerende intrinsiek gemotiveerd is om te leren, en verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces kan en wil (leren) nemen. (Externe) beloningen in de vorm van bijvoorbeeld rapporten zouden dus overbodig en zelfs contraproductief zijn. Deze relatie gaat uit van wederzijds vertrouwen: leraar en leerling (en ouders) zijn partners in leren, en er is geen sprake van hiërarchie. De rol van de leraar is daarom overwegend ondersteunend en coachend. Leraar en leerling (en ouders) bepalen in overleg hoe, wanneer en met wie geleerd wordt.

De verticale as: het doel

Rondom het thema ‘doel van het onderwijs’ bestaat een aantal opvattingen over wat onderwijs is, over kinderen en leren, en over de relatie tussen de maatschappij en het kind. Ook hier zien we weer twee uitersten terugkomen: aan de onderkant van de as vinden we de ‘Collectief’-opvatting, waarbij het voornaamste doel van onderwijs is om een leerling zo snel mogelijk voor te bereiden op arbeidsmarkt of vervolgstudie door middel van toetsing en selectie. Helemaal bovenaan de doel-as staat de ‘Persoonlijk’-opvatting, waarbij volledige ontplooiing van het kind absolute prioriteit heeft. Hieronder geven we een beschrijving van deze twee uiterste opvattingen.

Nadruk op persoonlijke benadering

verticaal

Nadruk op collectieve benadering

Dit zijn uitersten. De meeste mensen zoeken hun balans ergens daar tussenin, en dat is bij iedereen persoonlijk en anders. Uw persoonlijke keuze is zichtbaar door de positie die u kiest, meer naar links (de leraar boven de leerling) of rechts (de leraar naast  de leerling).

Voor verdieping, zie verdere uitleg

Collectief: Binnen de ‘Collectief’-opvatting is kwalificatie voor vervolgstudie en arbeidsmarkt het hoofddoel van het onderwijs. Daarbij wordt veel waarde gehecht aan de ontwikkeling van kennis en vaardigheden. Dit zou de kans op succes van de leerling in zijn of haar volgende (school)carrièrestap kunnen vergroten. Een primaire taak van het onderwijs is daarom het selecteren van leerlingen voor het juiste niveau (HAVO, VWO, et cetera). De nadruk ligt hierbij op uniformiteit: er zijn gezamenlijke normen waaraan leerlingen moeten voldoen, en een vast curriculum (een leerplan voor een opleiding, waarin is vastgelegd welke doelen en inhouden geleerd moeten worden) dat elke leerling moet doorlopen. Vanuit deze visie zijn leerlingen succesvol als zij een zo hoog mogelijk niveau (met bijbehorend diploma of certificaat) en maatschappelijke positie behalen. Om te bepalen of leerlingen de vastgestelde kennis en vaardigheden beheersen worden gestandaardiseerde testen en toetsen afgenomen, zoals de Cito-toetsen. Leren is vooral gericht op beheersing van de stof die in het curriculum is vastgelegd, voor een groot deel objectieve kennis. De vaardigheden die aan bod komen, zijn meestal sterk gerelateerd aan de leerdoelen die zijn vastgelegd binnen een vak. Leerlingen leren vooral doordat zij worden onderwezen door een docent.

Persoonlijk: Binnen de “Persoonlijk”- opvatting wordt de brede ontwikkeling van de leerling als hoofddoel van het onderwijs gezien. Hier wordt ervan uitgegaan dat iedereen uniek is en dus unieke leerdoelen heeft. Nadruk ligt op de individuele kwaliteiten, mogelijkheden, grenzen en behoeften van elke leerling. Onderwijs en opvoeding zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In deze visie heeft leren een brede betekenis: elke activiteit die leidt tot een vergroting van vaardigheden en kennis is een leeractiviteit. Succes is hier: de eigen unieke talenten ontdekken en ten volle ontwikkelen,waardoor je de meest waardevolle bijdrage aan de maatschappij levert. Bijdragen van anderen (met name medeleerlingen) zijn vaak nodig om tot individuele prestaties te komen. Vanuit het oogpunt dat iedere persoon op zijn eigen manier tot zijn recht komt, kunnen niet altijd uniforme leertrajecten worden gevolgd, en speelt selectie geen rol. Diversiteit wordt meestal als belangrijker gezien dan meetbaarheid en vergelijkbaarheid door middel van toetsing en beoordeling. Niet alleen het eindresultaat, maar juist ook de weg daarnaartoe wordt gezien als belangrijk.

Positie op de kaart bepalen

U bepaalt uw positie op de kaart door te reageren op een aantal stellingen over onderwijs. Deze aanpak is vergelijkbaar met die van het Kieskompas, dat u helpt om een keuze te maken voor een politieke partij om op de stemmen.
Bij het invullen van het Schoolwaardenkompas moet u steeds uw positie tussen twee tegengestelde stellingen bepalen: meer van het één betekent automatisch minder van het andere.
Een voorbeeld van stellingen:

  • Een zo hoog mogelijk diploma halen  is de beste voorbereiding op de toekomst

Tegenover

  • Een zo breed mogelijke ontplooiing is de beste voorbereiding op de toekomst

Door de stellingen te waarderen en deze tegen elkaar af te wegen, komt u uit op twee coördinaten: één op de horizontale as en één op de verticale as.

Vervolgens kunt u uw positie vergelijken met de posities van anderen op de kaart. Bijvoorbeeld met collega’s, (andere) ouders of met (mede)leerlingen. Op basis hiervan kunt u met elkaar in gesprek gaan over jullie keuzes en verschillen als het gaat om wat jullie belangrijk vinden in het onderwijs.

Doordat de stellingen op waardenniveau zijn geformuleerd, ontstaat er ook een dialoog op waardenniveau. Er bestaat op dit niveau geen gelijk of ongelijk, en dus ook geen welles-nietes. In de meeste gevallen komen de gesprekspartners nader tot elkaar, en ontstaat er geen discussie, maar een echte dialoog. Ook wanneer niet iedereen dezelfde positie kiest, kunnen eventuele verschillen vaak wel productief worden ingezet.

Voor verdere informatie en ondersteuning,
bekijk ons 
aanbod of neem contact op.